Externe veiligheid

Externe veiligheid richt zich op de risico’s voor de omgeving, veroorzaakt door bedrijven of transportmodaliteiten (pijpleidingen, rail-, vaar- of verkeers-wegen), waarbij grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Risico’s vloeien voort uit de productie, de opslag of het transport van gevaarlijke stoffen. De veiligheidswetgeving hanteert voor de beoordeling van de risico’s twee verschillende beoordelingsgrootheden:

  1. het plaatsgebonden risico (PR) en
  2. het groepsrisico (GR).

In het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (BEVI) staat aangegeven van welke (typen) bedrijven en activiteiten de risico’s moeten worden bepaald en hoe met het PR en GR moet worden omgegaan bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Het plaatsgebonden risico (PR) wordt weergegeven als een contour op de kaart, waarbinnen één persoon een bepaalde kans loopt te komen te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt uitgegaan van de meest ongunstige situatie, namelijk dat de persoon geen beschermingsmiddelen heeft en niet wegvlucht. Toetscriterium is de kans per jaar van 1 op de miljoen (1×10−6). Dit houdt in dat de kans van eens in de miljoen jaar dat iemand komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, dit als een aanvaardbaar risico wordt gezien. Ter oriëntatie: dit is vergelijkbaar met het (statistische) risico dodelijk door de bliksem te worden getroffen of te overlijden als gevolg van een vliegtuigongeluk.
Bij het beoordelen van situaties binnen deze (PR 10−6) veiligheidscontour wordt onderscheid gemaakt tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Beperkt kwetsbare objecten zijn verspreid liggende woningen (minder dan 2 per hectare), bedrijfswoningen, kleine kantoorgebouwen en hotels/restaurants (< 1500m2), kleine winkels, sport- en recreatievoorzieningen (< 50 personen) en objecten met hoge infrastructurele waarden waarin de personen kort verblijven (zoals stations).
Voor het PR geldt dat de 10−6 risicocontour een grenswaarde is voor kwetsbare en nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Deze mogen niet binnen deze contour aanwezig zijn resp. gerealiseerd worden.
Voor beperkt kwetsbare objecten geldt dat de 10−6 een richtwaarde is. Dit houdt in dat bestaande objecten kunnen blijven staan maar dat nieuwbouw binnen de 10−6 contour in principe niet mogelijk is. Slechts met zwaarwegende argumentatie kan dit worden toegestaan. Een en ander is ter beoordeling van de daartoe bevoegde overheid. Bij deze overweging kan de verantwoording van het groepsrisico een belangrijke rol spelen.

Het groepsrisico (GR) richt zich op de “maatschappelijke ontwrichting” als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Hierbij wordt gekeken naar het aantal dodelijke slachtoffers als gevolg van een ongeval. Deze benaderingswijze “kijkt” vanuit de (woon)omgeving en heeft een directe relatie met het aantal aanwezige personen (o.a. bevolkingsdichtheid). Voor het GR geldt geen strakke normering. De aanvaardbaarheid dient per situatie te worden vergeleken met een oriënterende waarde. In veel gevallen, bijvoorbeeld als het GR toeneemt of de oriënterende waarde wordt overschreden, dient een verantwoording over het GR te worden afgelegd (GR-verantwoording). Hierin kunnen aspecten als bescherming, zelfredzaamheid, rampbestrijding en/of gunstige toekomstige ontwikkelingen worden meegenomen. Aan de hand van de GR-verantwoording kan de overheid besluiten over (on)aanvaardbaarheid van de risico’s en daarmee over de vergunningaanvraag of voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.