Wet voorkeursrecht gemeenten
Bij de ontwikkeling van een bouwlocatie is het van belang dat de gemeentelijke regie niet wordt aangetast en dat speculatie met potentiële bouwgrond wordt voorkomen (projectontwikkelaars). Deze regie kan kan de gemeente mogelijk behouden door het aanwijzen van gronden op basis van de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg).
De Wvg geeft een aantal toepassingsgrondslagen:
- toepassing van het voorkeursrecht op grond van een vastgesteld bestemmingsplan (art. 3),
- toepassing van het voorkeursrecht op grond van een vastgestelde structuurvisie (art. 4),
- toepassing van het voorkeursrecht vooruitlopend op de vaststelling van een structuurvisie of bestemmingsplan (art. 5),
- een voorbescherming door het College van B&W vooruitlopend op de toepassing op grond van de art. 3, 4 of 5 Wvg (art. 6).
Op grond van de artikelen 5 en 6 Wvg kunnen een college van B&W en een gemeenteraad dus besluiten, vooruitlopend op de ruimtelijke discussie, een voorkeursrecht van toepassing te verklaren, dit voordat een structuurvisie of bestemmingsplan is vastgesteld. Daarmee houdt de gemeente vanaf het eerste begin van de ruimtelijke ontwikkeling de regie in handen, ook als er nog geen concrete plannen zijn. Wel is het zo dat de gemeente in verband met het motiveringsbeginsel moet aantonen dat een andere toekomstige bestemming in het verschiet ligt (bijvoorbeeld op basis van een streekplan, stadsvisie, ontwerpgebiedsvisie of dergelijke).
De Wvg gaat uit van toegedachte bestemmingen die niet-agrarisch zijn en die afwijken van het huidige gebruik of tenminste het huidige gebruik intensiveren. De gemeente schept zo een goede uitgangspositie met betrekking tot de grond in het betreffende gebied. De mogelijkheden tot het voeren van een actieve grondpolitiek nemen toe waardoor de economische uitvoerbaarheid in relatie tot de gewenste ruimtelijke kwaliteit beter gewaarborgd is. Het voorkeursrecht is bovendien gedurende het proces van planontwikkeling een beschermingsinstrument waardoor ongewenste ontwikkelingen kunnen worden voorkomen.
Natuurlijk staan tegenover de belangen van de gemeente de belangen van de eigenaren (en andere zakelijk gerechtigden) van de percelen in het plangebied. De Wvg weegt de belangen van de gemeente zwaarder en heeft de gemeenten de bevoegdheid gegeven om een voorkeursrecht te vestigen. Als bescherming van de eigenaren eist de Wvg niet dat zij hun gronden te koop aanbieden. Ook is prijsvaststelling via de rechtbank en –in bepaalde gevallen- schadevergoeding mogelijk.
Publicatie van besluiten van B&W over toepassing van de Wvg is vereist. Het besluit heeft een geldingsduur van maximaal drie maanden. Binnen die tijd moet de gemeenteraad besluiten om het voorkeursrecht van gemeente langer te vestigen (het lijkt dus verstandig gelijktijdig met de publicatie van het B&W-besluit het ontwerpraadsvoorstel ter inzage te leggen en de eigenaren en zakelijk gerechtigden van de betreffende percelen te informeren.